PAUL CLAES
terug naar fondslijst
home
|
|
file:\\ druksel \ fondslijst \ claes \
meer
Paul Claes, of De vele kanten van een Verlichtingsmens
In 1992 debuteerde Paul Claes als 'romancier', met 'Het laatste
boek' werd hij ook verhalenverteller. Tot dan was hij vooral
gekend als vertaler en interpreet van het werk van anderen,
vooral Hugo Claus.
In 1993 verscheen als eerste van een reeks romans 'De sater',
gevolgd door 'De zoon van de panter' (1996), 'De phoenix' (1998),
De kameleon (2001) en de reeks werd voleindigd met 'Het hart
van de schorpioen' (2002). Daarna kwamen nog 'Lily' (2003),
'Sfinx' (2004) en 'Psyche' (2006). Wanneer we de eerste reeks
romans naast elkaar leggen, zien we dat in elke titel een dier
voorkomt. Niet toevallig, want bij Claes bestaat het toeval
niet. Alles verwijst naar alles. In de titels, verschijnt een
particulier universum. Als er één bekende sater is, dan is het
wel Marsua die door Claus beschreven werd in het gelijknamige
gedicht. De panter verwijst naar het bekende gedicht van Rainer
Maria Rilke in de 'Neue Gedichte', een dichter die door Claes
becommentarieerd is. Maar alludeert ook op de dieren die Bacchus
begeleidden. De panter is bovendien in 'The hind and the panther'
van John Dryden het zinnebeeld van de Rooms-katholieke kerk.
De phoenix is de vogel die zich vernieuwt, die sterft en verrijst,
symbool voor het element vuur. De kameleon, het zich altijd
wijzigende dier, staat symbool voor de lucht. De schorpioen
is het attribuut van de Romeinse vruchtbaarheidsgodin Tellus
Mater en symboliseert de aarde. De titels openbaren een wereld
van verwijzingen en een visie op het leven. Zowel de sater als
de panter verwijzen naar het onderbewuste: beide staan diametraal
tegenover Apollo. De phoenix symboliseert zowel het verleden
als de toekomst: de cultuur bestaat slechts uit traditie die
zich constant vernieuwt. De kameleon at noch dronk volgens Plinius
maar hapte naar adem. Zo is ook de cultuur die zich verwijdert
van het aardse en streeft naar het etherische, het onthechte.
Tegelijkertijd staat het dier ook voor het beweeglijke, de fantasie,
het spel. De schorpioen wordt verbonden mat afgunst en haat.
In de Oudheid symboliseerde het ook Afrika en verwijst (binnen
het oeuvre van Claes) daarom ook naar Arthur Rimbaud, die na
het afzweren van de kunst zich terugtrok in Afrika. Met uitzondering
van het laatste boek 'Het hart van de schorpioen' -veeleer een
uitgeverstruc dan een doordachte keuze- zijn deze verhalende
boeken ook verschenen onder de titel 'De lezer'. Dit verwijst
naar Aristoteles, die 'lezer' als enige eretitel aanvaardde
én naar het gelijknamige gedicht van Rilke. Hier beschrijft
Rilke een jongen die zodanig in zijn lectuur opgaat dat hij
de wereld buitensluit. Rilke aanvaardt dit cliché niet helemaal
want dit zich afsluiten is tegelijkertijd een zich openstellen
voor een andere wereld, voor andere beelden. Maar wie iets over
lezen zegt, denkt ook aan Schopenhauer die het lezen slechts
een tweederangs activiteit vond, een surrogaat voor het echte
denken. Het is een tweespalt waar ook Paul Claes mee worstelt,
zoals we kunnen lezen in 'Het hart van de schorpioen'. Maar eerst moet toch gezegd
worden dat Paul Claes met deze overkoepelende titel een eerbetoon aan de lezer biedt:
hij is het die de cultuur levend moet maken. 'Het hart van de schorpioen'
wil een autobiografisch verhaal vertellen zonder een traditionele
autobiografie te zijn. Het is opgebouwd uit korte berichten,
beelden, anekdotes die samen een leven vormen. Als een encyclopedie:
een selectie van feiten die een visie op de wereld en de mens
geeft. Dit is een geconstrueerd maar geen doorlopend verhaal
-een schrijver herinnert zich dat wat hem gemaakt heeft. Meer
nog dan in zijn andere boeken gebruikt Claes hier een apodictische
stijl waardoor hij afstand neemt van het haast onvermijdelijke
autobiografische sentiment -en waarmee hij zijn poëzie nadert.
Hij doet dat o.a. doordat hij het kind als 'hij' beschrijft,
de opgroeiende als 'jij' en pas op het einde spreekt hij zich
uit als een zelfbewuste 'ik' -het is ook de psychologische evolutie
van elke mens. Maar dat 'ik' citeert dan weer anderen waardoor
de stelling van Paul Claes verduidelijkt wordt: het ik
is de ander en bestaat niet zonder die ander. De mens is niet alleen, de cultuur vormt een
samenleving.
Ook al hadden vroeger al verscheidene critici (waaronder Hans
Warren en Arnold Heumakers) erop aangedrongen dat Claes eindelijk
iets over zichzelf zou vertellen en ook al had Claes in de gedichtenbundel
'Embleem' reeds zichzelf ten tonele gevoerd, toch mag het nog
verrassen dat hij op zo'n openlijke manier over zichzelf spreekt.
Claes staat immers bekend als de speler, de vervalser die de
dingen maskeert, die met literaire tradities speelt, die de
finesses van de vormtechniek tot het uiterste wil doorvoeren.
Hij ontkent de ontroering of het belang ervan niet maar als
het gedicht (of het kunstwerk) zich enkel daartoe beperkt, is
het voor Claes te weinig. Er moet intellect en geschiedenis
bij. Als interpreet van andermans gedichten analyseert Claes
de gedichten naar vorm en inhoud. Hij legt verbanden bloot en
toont hoe Apollinisch de meeste gedichten wel zijn. Wat een
emotionele oprisping lijkt, wat voor de goegemeente (op z'n
best) schone verwarring is, wil Claes verduidelijken, uitleggen.
Maar dat betekent niet dat hij het gedicht mismeestert, kapot
maakt. Bij hem is de onttovering geen verlies maar zuivere winst:
de esthetische kracht van het gedicht, het kunstwerk, wordt
niet tenietgedaan maar verhevigd door de analytische kennis.
Claes is een werkelijke zoon van Denis Diderot, de meester-vervalser,
de speler in het kwadraat die het spel gebruikt om de waarheid
klaarder te doen schijnen.
De autobiografie van Claes behandelt de gekende topoi: een jeugd
vol verdriet, het opgroeien als man, het exploreren van de eigen
mogelijkheden, het aanvaarden van zichzelf. Het verhaal van
Claes is door en door Vlaams: het is een sociologische schets
van de naoorlogse jaren geworden waarin Vlaanderen zichzelf
rijk werkte maar niet overweg kon met de kwaliteit van het bestaan
-soms hoor je verre echo's van de bladen 'Heibel' en 'De nieuwe
maand'. Een kinderleven waarin de emoties onderdrukt werden,
waar de uiterlijke schijn belangrijk was. Hier en daar komen
oprispingen tevoorschijn 'zo jong al zo wrang'.
Claes is -ondanks zijn intelligentie- een kind als een ander:
hij is een 'aftekenaar', hij verleidt zijn nichtje met andermans
woorden. Hij is niet zo origineel als hij wel zou willen zijn
- de melancholie van Richard Minne. Samen met zijn vader wordt
hij gefascineerd door de taal en het spel ermee. Het boek bevat
veel opsommingen; van snoep, van cultuurevenementen, van mogelijkheden.
De rijkdom van de wereld, de taal als grondstof die vreugde
verleent.
Onderhuids is dit ook het portret van de romanticus zoals George
Steiner die in 'In Bluebird's castle' geschetst heeft: een verlangen,
een ideaal dat niet overeenstemt met de werkelijkheid waardoor
de verveling vrij spel krijgt. Claes beschrijft niet zozeer
gebeurtenissen maar toestanden. Zijn autobiografie is geen relaas
van waar gebeurde feiten maar van reflecties.
Als zijn andere romans gemaskeerde wensdromen zijn (de seksjager,
de zelfopofferaar, de allesweter, de beweeglijke) dan gebeurt
in deze roman hier juist het omgekeerde: hier vernedert de auteur
zichzelf (samen met Peter Verhelst is hij soms een echte katholieke
schrijver). Dit is dan ook een pseudo-biecht, een persiflage
op de egodocumenten. Wie zichzelf te edel voorstelt, wordt niet
geloofd.
Deze levensgeschiedenis is ook een leesgeschiedenis: de auteur
is bepaald door zijn leeservaringen maar ook door de durf en
ambitie die gecodeerde wereld te willen ontcijferen. Langzaam
gaat de roman over naar een poëziekritiek, een credo van het
vertalen, een standpuntbepaling over literatuur. Tegelijkertijd
laat hij ook die zeer Vlaamse, kleinburgerlijke wereld zien:
hoe ook hij, deze Vlaamse jongen, zich aan de meligheid heeft
ontworsteld: 'Daar kom ik vandaan' (p. 74). Vóór het einde worden
de rollen omgedraaid: de zoon wordt de vader, de leerling de
leraar. En er komt onthechting: tegenover de adem van het leven,
wordt elke ambitie het zwijgen opgelegd. Het leven is een leren
sterven.
Naast de al vermelde autobiografische topoi, bevat 'Het hart
van de schorpioen' ook dé tweespalt in de Westerse cultuur:
die tussen natuur en cultuur, tussen lezen en leven. Merkwaardig
is hoe Claes zich in een verdedigende positie gedrongen voelt
én treurt omdat hij niet behoort tot de doeners, de durvers,
dat hij het échte leven, niet de cultuur noemt en hoe hij naar
de erkenning van de ander streeft. Soms probeert Claes aan cultuurkritiek
te doen maar daarvoor zijn de ideeën die hij bijvoorbeeld neerschrijft
in zijn scryptogammen niet alleen niet origineel maar ook niet
krachtig genoeg. Claes staat te ver van de huidige cultuur om
het positieve ervan te zien en om een gedegen cultuurkritiek
te kunnen schrijven. Net zoals alle andere erudieten is hij
opgegroeid in een cultuur die nu onherroepelijk verandert en
waarvan elementen verloren gaan. Als een meester tracht hij
nog iets van deze kennis door te geven maar hij weet dat veel
'umsonst' is omdat het referentiekader ontbreekt. Dat geldt
overigens voor het hele oeuvre van Claes: zijn referenties zijn
verwijzingen naar een andere, niet langer bestaande en dus ook
relatief irrelevante wereld. De kennis van Claes raakt ons niet
meer omdat de wereld veranderd is. Daardoor is de kloof tussen
cultuur en natuur bij Claes zo groot en zo schrijnend.
Hoe verrassend dit misschien ook is, in deze optiek is de vertaalactiviteit
van Paul Claes een existentiële behoefte. Vertalen is immers
de problematiek van de ander vertalen in een begrijpelijker
kader, is het vreemde confronteren met het gekende. De vertaler
is de bemiddelaar tussen het ongekende en het gekende. Hij is
het die de communicatie op gang brengt, die het onbekende, het
vreemde vertaalt. De vertaler is de verteller, de vertolker
die de aandacht krijgt. De eenzaamheid van de erudiet wordt
op die manier opgeheven: hij is een sluis van kennis. Vertalen
is ook een politieke zaak: het is de zelfgenoegzaamheid, de
geborneerdheid overwinnen. Zeker in deze activiteit is Claes
een kind van de jaren zestig: de wereld moet beter worden en
dat kan door kennis.
Claes is al zeer vroeg met vertalen begonnen. Het was de fascinatie
voor het vreemde waardoor hij besloot oorspronkelijke teksten
te decoderen. Een van de grote verdiensten is hierbij zijn vertaling
van het oeuvre van Arthur Rimbaud, vooral ook omdat hij een
nieuwe visie op deze Franse dichter heeft gebracht. Claes toont
aan hoe Rimbaud essentieel een kind van de traditie en de cultuur
is, hoe zijn gedichten naadloos passen bij zijn tijd. Het referentiekader
van Rimbaud is dat van het symbolisme. Het geniale van de dichter
komt niet uit de lucht vallen, is niet in het luchtledige ontstaan.
Het bestond (en bestaat) uit het combineren van wat reeds gegeven
was met beelden die nog niet gekend waren. (Vergelijk dit met
de nefaste authenticiteitscultus waar iedereen naakt wil zijn
en naakt wil blijven.) Ook al waren ze nog niet gekend, deze
beelden konden ervaren worden als een nieuw maar essentieel
onderdeel van de cultuur. Claes toont aan dat de surrealisten
in hun interpretatie van Rimbaud volledig verkeerd waren: diens
teksten waren niet zinloos, waren geen orgie van vrije associaties.
Zijn code was een retorische: hij gebruikte verrassende beelden
om de wereld nieuw te maken, opnieuw te scheppen. Rimbaud vertrouwde
erop dat zijn lezers konden lezen.
Ook bij Rimbaud ervaren we -aan het einde van zijn leven zelfs
in het extreme- de tweespalt tussen leven en cultuur. Deze is
vervat in zijn kernbegrip 'voyant'. Voor hem moet de dichter
een ziener zijn. Daarvoor is een volledige zelfkennis nodig
en die kan pas bereikt worden door extreme ervaringen in de
gevoelsdomeinen. In Rimbaud zien we het tragische moment in
de Westerse cultuurgeschiedenis: de cultuur heeft niet genoeg
aan zichzelf en kan pas zichzelf verhevigen door een leven heftig
te leven en daarvan achteraf verslag te doen. Dit oeuvre is
ontstaan tijdens de opkomst van het moderne burgerschap en onmiddellijk
al werd dat burgerdom onderuit gehaald.
Het mooie bij Paul Claes is dat hij iedere keer ook een commentaar
bij zijn vertalingen schrijft die zowel verhelderend als intrigerend
is -zoals dat ook gebeurd is in de vertaling van 'The waste
land' van T.S. Eliot. De commentaren dienen om de tekst te verduidelijken,
om de dichter eer te betonen maar ook om het gelijk van de vertaler
te bewijzen. Paul Claes vertaalt niet zomaar zin voor zin, hij
is geen letterlijke vertaler maar hij zet beelden om van de
ene in de andere taal. Hij actualiseert maar zonder mallotig
te doen: het hedendaagse is voor hem niet noodzakelijk een norm.
Dat uit zich ook in het wantrouwen dat een van de belangrijkste
kenmerken van een vertaler dient te zijn: de woorden kunnen
een andere betekenis hebben. Daarom zijn de vertalingen van
Claes zo spectaculair. Niet alleen vertaalt hij uit verschillende
talen (Grieks, Latijn, Frans, Duits, Engels -én omgekeerd) maar
hij kent ook het hele systeem waarin deze talen functioneren.
Andere vertalingen en commentaren die absoluut vernoemd moeten
worden zijn 'De middag van een faun en andere gedichten' van
Stéphane Mallarmé, 'Hersenschimmen' van 'Gérard de Nerval',
'Verzen' en 'Liedjes voor Lesbia' van Catullus. In slechts deze
titels zien we de fantastische mix die Paul Claes ons brengt:
een icoon van het modernisme, een symbolist pur sang en een
veronachtzaamde Latijn. Claes heeft in zijn werk 'Concatenatio
Catulliana' de ordening in het werk van Catullus aangetoond
-eerder had hij dat ook al gedaan voor de 'Illuminations' van
Rimbaud- door te wijzen op een bewuste herhaling van woorden
in de opeenvolgende teksten. Ook een nieuwe visie van de 'Spreuken'
van Montaigne wachtten op publicatie. Dit alles kan maar ontdekt
worden door een bijzonder aandachtige lezer. Verfrissend is
de onpreutse houding die Claes in het leven aanneemt: zijn
vertalingen van Catullus schuwen het obscene niet. Meer nog,
bij hem krijgen het ruw-obscene en het scatologische zelfs een
poëtische dimensie. Op die momenten is Claes een begenadigd
materialist, anti-platonist.
Naast Claes als wetenschapper, verteller, vertaler is er ook
nog Claes, de dichter. Ook al lijken dit verschillende takken
te zijn, toch is het duidelijk dat we over één oeuvre moeten
spreken: het ene bevrucht het andere. 'De zonen van de zon'
verscheen in 1983 als relatiegeschenk van uitgeverij Athenaeum-Polak
& Van Gennep. Het bevat een sonnet in het Nederlands en zeven
transposities. (Claes zal ook in latere jaren nog van het Nederlands
naar een andere taal vertalen, zo bijvoorbeeld Gezelle en Claus
in het Frans, Dèr Mouw naar het Engels, of andere dichters naar
het Latijn). Het sonnet verhaalt over de castratiepijn, de kern
van de psychoanalyse. De titel verwijst naar de vader-zoonverhouding.
Deze relatie is ook de essentie van het leven: de zoon is een
onderdeel van de traditie, maar hij kan ook een zon en dus een
meester worden -de zon is overigens een bijzonder mooie metafoor
om opvoeding aan te duiden. De zon en de zwarte zon zullen een
leidend motief in het scheppend oeuvre van Claes blijven.
Deze gedichten zullen later opgenomen worden in 'Rebis' (1989):
een bundel waarin de alchemie en het hermafroditisme centraal
staan. De gedichten in de reeks 'Rebis' volgen het Griekse alfabet
én de alchemistische chronologie, beginnend bij de prima materia,
over de witte en de rode fase om te eindigen bij het orgasme,
de gouden periode. 'Res bina' betekent de dubbele zaak, de transmutatie.
Het symbool daarvan is de gepunte cirkel, de ouroboros, de slang
die zichzelf in de staart bijt en verwijst daarmee naar de tijd.
Ook hier voegt Claes een commentaar bij, maar deze zijn niet
allesverklarend. De lezer krijgt een aanzet tot verdere kennisverwerving.
De psychoanalyse verschijnt hier als een moderne versie van
de alchemie. Ze wordt gebruikt als een systeem van beelden,
niet zozeer als een waarheidsgetrouwe theorie. Fascinerend hierbij
is ook de durf van Claes om de vorm zo gebald mogelijk weer
te geven: sonnetten in de vorm van Giacometti-beelden.
'Schaduwbeeld' in de bundel 'Embleem' is een reeks kleine gedichten
als barokke embleemgedichten. Hierin vertelt hij aan de hand
van negen foto's uit het familiealbum zijn verhaal, zijn verdriet.
Het zijn momentopnamen die leiden naar de dichter die deze gedichten
neerschrijft. De verzen zijn niet larmoyant, niet tranerig maar
toch is er onderhuids een ontevredenheid merkbaar: dit leven
dat niet evident is. Zo is er bijvoorbeeld 'Vakantiekiekje':
"Het paar, de zonnebril en de blondine, / betrapt bij een verlate
huwelijksreis, / zoekt wankelend in de antieke ruïne / naar
sporen van het aardse paradijs.' Het is een gemeenplaats te
veronderstellen dat een huwelijksreis (in Vlaanderen ook de
speelreis genoemd) een reis van vreugde is. De eerste regel
verwijst nog naar het idyllische: zonnebril en blondine: Miller
en Monroe. De man met bril -het intellect- maar nu ter bescherming
van de ogen, het bewaren van het verstand tegen de natuur en
het frivole (zon, zee en strand). De tegendraadse sfeer is te
bespeuren in de woorden 'verlate' en 'wankelend' (waarom niet
'wandelend'?). En culmineert in de laatste zin waar beseft wordt
dat enkel (en dan nog maar misschien) sporen van het aardse
paradijs gevonden kunnen worden. Dat deze wereld een tranendal
is.
De ludieke kant van Claes heeft in 'Mimicry' een hoogtepunt
gevonden maar tegelijkertijd is deze bundel één van de scherpste
kritieken die ooit in het Nederlandse taalgebied verschenen
is. Het omslag en de omslagfoto alleen al zijn van een superioriteit
die we weinig tegenkomen. De cover 'mimicreert' het bekende
ruitjespapier met handschrift van de 'Gedichten 1948-1963' van
Hugo Claus. De achterflap toont Claes, natuurlijk ook met de
handen in de broekzak -men is een Vlaming of men is het niet-
voor de molen van de Oostakkerse gedichten. Wat Claes doet is
plagen, niet enkel de ander maar ook zichzelf: 'zie mij hier
lopen'. Wat blijkt? De pastiches van Claes zeggen meer over
de dichters dan hun eigen werk. Hij neemt hun zwakte en hun
sterkte over en speelt ermee tot hij bij de kern komt en de
essentie van een oeuvre blootlegt. Niet alleen wat de thematiek
of de vorm betreffen maar ook voor wat dat oeuvre staat. Zo
bijvoorbeeld wordt een auteur als Herman de Coninck onverbiddelijk
aangepakt. Met deze pastiche, doordat Claes even over de lijn
gaat, toont hij de meligheid, het onbedwingbare egocentrisme
van de Coninck aan en veroordeelt hij deze verzen tot een karamelniveau.
De pastiche van Claus gebruikt een woordenschat die direct aan
de meester ontleend is maar door de concentratie verhevigt hij
het Clausiaanse universum: gemelijke, kietelt, klieren, berijder,
blaas, vierendeel. Net zoals Claus trekt hij ook graag op een
ironische manier zijn mannelijkheid in twijfel ('Ik? Je koene
berijder?'). Maar in het laatste vers keert hij het bekende
Oidipous-thema om en spreekt hij van zijn 'schoonmoeder', een
Vlaamse grol is dan niet meer veraf. Hier ziet de lezer het
grenzeloze plezier dat een schrijver kan hebben in het maken,
construeren van gedichten. In een aantekening geeft Claes ook
hier een hint: het acrostichon (de beginletters van de verzen)
vormt de zin 'Fecit alius': de andere heeft dit gemaakt en verwijst
naar de trots van de Renaissanceschilder die zelfbewust ondertekende
met zijn naam en zijn daad. Paul Claes draait dit om: niet de
originaliteit wordt hier beklemtoond, wel de ander. En daarmee
verwijst hij naar de filosoof Levinas die stelde dat het ik
maar kan bestaan door de ander. En dus ook naar Hegel die de
relatie meester-knecht analyseerde, hun onderlinge afhankelijkheid
beklemtoonde en aantoonde dat de meester niet zonder de knecht
kan bestaan. De meesters - hebben hun uitleggers nodig. Claus
heeft zijn Claes, maar wie zal Claes' Claes zijn?
|